Nicole de Jong (*) had een wat onstuimige jeugd. Van haar tiende tot haar achttiende woonde ze bij jeugdzorg, en liep daarna bij de GGZ. Voor haar een verschil als tussen hel en hemel. Bij de GGZ werd voor het eerst een duidelijke diagnose gesteld: borderline. Zowel bij jeugdzorg als bij de GGZ zette ze zich in om de zorg te verbeteren, onder meer via de jongerenraad en via trainingen in bejegening. Dat beviel haar wel, want ze pakt graag dingen aan. Inmiddels is ze co-trainer bij het RSC-GGZ, een bureau voor ervaringsdeskundigen.

Van haar jeugd kan Nicole zich maar weinig herinneren; er zitten veel gaten in haar geheugen. “Maar misschien heb ik veel dingen wel verdrongen.” Wel weet ze dat ze grote problemen had in haar ouderlijk gezin. Vooral met haar moeder had ze grote problemen. In tegenstelling tot haar zus, die alles goed deed, was Nicole het pispaaltje. Tot ze het niet meer pikte en voor zichzelf op ging komen. Dat leidde vaak tot slaande ruzies. Met haar vader kon ze echter wel praten; hij behandelde haar ook meer met respect. Als Nicole door haar moeder was buitengezet, hielp hij haar vaak stiekem door met haar een hapje te gaan eten en kreeg ze fatsoenlijke kleding voor de nacht. Daar is ze hem altijd dankbaar voor geweest.

‘€˜De hel op aarde’

Vanwege de problemen thuis meldde Nicole zich al op haar tiende bij Jeugdzorg, omdat ze een OTS (ondertoezichtstelling) wilde. Die kreeg ze niet, maar ze werd wel uit huis geplaatst. Vervolgens zat ze zo’n acht jaar bij Jeugdzorg. Daarmee heeft ze ronduit slechte ervaringen; ze spreekt zelfs van ‘€˜de hel op aarde’. Ze verbleef bij jeugdzorg in verschillende opvanghuizen, in woongroepen met zo’n vijf à negen mensen. “Ze namen me daar nooit echt serieus en lieten me maar een beetje begaan. Toen ik net binnenkwam, ging mijn mentor net een half jaar met vakantie; terwijl ik hem juist toen het hardst nodig had. Ook kon ik absoluut niet overweg met mijn casemanager; hij deed niks. Er was maar weinig toezicht in de groep. Toen ik een keer vermist was, schakelden mijn ouders de politie in, terwijl het bij jeugdzorg niet eens leek op te vallen dat ik was weggelopen. Ik had ook niet het idee dat ze me daar echt hebben geholpen. Als ik chagrijnig was, werd ik meteen bestempeld tot irritante puber waar ze niks mee konden; dat vond ik maar een gemakkelijke uitvlucht. Doordat alles ging ik me steeds meer afzonderen: ik wilde niet meer meedoen aan groepsactiviteiten en kreeg op een gegeven moment zelfs geen mentorgesprekken meer. In een van de opvanghuizen hoefde ik niet meer bij de maaltijden te zijn en gaf de kok me zelfs de sleutel van de voorraadkast. Hoe gek wil je het hebben?”
Het enige lichtpuntje bij jeugdzorg vond Nicole de kamertraining in Waalwijk; ze was toen 17-18 jaar. Hier werkte je toe naar zelfstandigheid met zaken als: hoe beheer je je financiën en en waar moet je op letten als je zelfstandig gaat wonen? Je leert de verantwoordelijkheid te nemen voor jezelf, zoals zelf koken en zelf je kamer schoonhouden. Nicole heeft daar 15 maanden gewoond; het langste dat ze ooit ergens heeft gezeten. “Dit beviel goed. Ze gingen normaal met me om; er werd naar me geluisterd. Er was ook veel meer betrokkenheid. Ze keken welke jongere het beste in de groep paste, en zochten zonodig snel andere woonruimte.” De regels waren wel strikt; hield je je er niet aan, dan kreeg je acuut een gele of rode kaart. Geel was een waarschuwing, maar bij rood moest je binnen 24 uur vertrekken. Ook was er elke vrijdag kamercontrole. Was de kamer niet schoon, dan kreeg je geen zakgeld. Dat was ook het verschil met de rest van jeugdzorg: bij andere opvanghuizen heb je altijd nog andere opvanghuizen waar je terecht kunt, terwijl kamertraining gericht is op uitstroom.

Illegaal in jongerenpension

“Vanaf mijn negentiende kelderde mijn leven drastisch naar beneden. Temeer daar bij jeugdzorg ook jongeren met zware verslavingen zitten, waar weinig aan wordt gedaan. Van het een komt het andere, en zo val je in een alsmaar dieper gat.
Ik stond er ook alleen voor: voor jeugdzorg was ik te oud, en voor een GGZ-opname kon ik te goed voor mezelf opkomen. Mijn enige houvast waren gesprekken bij de GGZ. Voor de rest logeerde ik dan weer een tijdje bij mijn moeder, dan weer bij mijn vader, dan weer bij vrienden. En zo zwerf je maar verder. Ook heb ik nog enkele maanden illegaal ingewoond bij het jongerenpension van Traverse aan de Ringbaan Noord. [een soort tussenstap voor jongeren die om tal van redenen in de problemen zitten en niet bij de reguliere instellingen terecht kunnen, SdL] Officieel mocht ik daar niet wonen, omdat mijn ouders nog enigszins voor me konden zorgen. Maar in ieder geval was ik van de straat. Het was er destijds een complete chaos. Er werd drugs gebruikt en gedeald van hier tot Tokio en iedereen liep zomaar in en uit. Ze hebben er echter flink de bezem doorgehaald. Ze zijn strenger en daadkrachtiger geworden. Iedere bezoeker moet zich nu melden, en om elf uur ‘s avonds moet al het bezoek naar huis. Dat heeft gewerkt; het is nu allemaal redelijk binnen de perken. En de jongeren in het pension ogen nu een stuk frisser en gezonder.”

Gecertificeerd borderliner

Na de jeugdzorg, toen ze 18 was, voelde Nicole zich nog niet in staat om helemaal zonder begeleiding door te gaan. Ze regelde toen zelf (via een huisarts duurde veel te lang) aanmelding bij GGZ. Daar zat ze tot 2009 in een gewone behandelgroep bij afdeling jeugd. Enkele keren had ze er een ‘€˜bed op recept’, al heeft ze er niet meer dan vier nachten geslapen. “Ik had het er naar mijn zin en ik kwam er goed los. Vergeleken met jeugdzorg was de GGZ de hemel op aarde; een wereld van verschil. Pas toen werd ik serieus genomen en werd er naar mij geluisterd. Ik werd er gezien en gerespecteerd. Daar mocht ik zijn wie ik was. Als ik chagrijnig was, mocht ik het er gewoon uitgooien. En als ik niet naar een afspraak kwam, werd ik gelijk aan mijn jas getrokken.”
Bij de GGZ kon Nicole ook eindelijk aan haar problemen gaan werken. “Ik wist al jarenlang dat er bij mij iets niet klopte, maar kon het niet thuisbrengen. Zo was ik heel negatief en zag het leven vaak niet zitten. Ook was ik zeer impulsief: ik kon ineens besluiten om een dagje met de trein weg te gaan – ook als ik naar school moest. Ik dacht ook erg zwart-wit: ik zag alleen het ene of het andere uiterste. [Net zoals Nicole jeugdzorg en GGZ tegenover elkaar plaatste als de hel tegenover de hemel, SdL.] Ze zeiden steeds dat het de puberteit was, maar die is normaal nooit zo heftig, met zelfmoordpogingen en automutilatie. Heel slecht dat daar nooit aandacht aan werd besteed. Al op mijn dertiende las ik voor het eerst over borderline, en wist toen al vrijwel zeker dat ik het had. Maar zo’n diagnose mag pas op je achttiende gesteld worden. Toen ik bij een test bij de GGZ aan 7 van de 9 criteria voldeed, sprong ik een gat in de lucht. Nu had ik eindelijk zekerheid, dat was een verademing.”
Om te leren omgaan met die borderline, bood de GGZ haar een zogeheten Linehan-therapie aan. De cursus wordt twee keer per week gegeven, 12 maanden lang. Elke keer krijg je huiswerk mee, en bij een goed resultaat krijg je na afloop een certificaat. Want als je met borderline wilt leren leven, moet je er wel wat voor over hebben. “Dat certificaat is een stimulans om iets vol te houden en is ook een bewijs zwart op wit dat je ermee kunt omgaan; dat geeft kracht. Het certificaat voelde voor mij ook goed aan: dat ik iets kon afmaken en afspraken kon nakomen.”
In de cursus leer je je emoties te herkennen en te erkennen. We kregen allerlei woordjes en zinnetjes voorgelegd, met de vraag: welke emoties roepen die bij je? Waar komen die vandaan? En hoe reageer ik erop? Zo word je bewust van je emoties. Naast boos kun je bijvoorbeeld ook woest of woedend zijn. Ook word je veel bewuster van je denkwijzen en leer je wat je kunt doen bij een negatieve gedachte. Niet alleen maar denken: ‘€˜ik zie het niet meer zitten’, maar aan de bel trekken. Je leert ook om minder impulsief te worden en je let beter op signalen, bijvoorbeeld dat je naar beneden afzakt of over-impulsief raakt.
“Ik vond deze cursus ideaal. Ik heb zelfkennis opgedaan en kan nu beter leven met mezelf en met anderen. Ook schat ik mijn reacties nu beter in, zonder dat ik het elke keer op overdreven wijze eruit hoef te gooien. Vroeger zei ik heel foute, beledigende dingen als ik kwaad was. Hoe dichter ik bij iemand stond, hoe groffer mijn taalgebruik. Bij woedeaanvallen smeet ik met alles wat los en vast zat. Geen muur of deur was veilig voor me; ik sloopte alles. Dan was ik het kwijt en ging ik naar mijn kamer. Overigens heb ik nooit iemand echt lichamelijk pijn willen doen. Alleen bij mensen die dicht bij me stonden, ging ik echt te keer. Vooral mijn moeder en ik hebben elkaar regelmatig de vernieling in gewerkt. Nu weeg ik beter af wat wel en wat niet gepast is. Dat komt ook een stuk milder over. Bovendien krijg ik anders te negatieve reacties terug; meer dan ik aankan. Het is dan actie-reactie; dan heb je ook meteen ruzie. Inmiddels ben ik zo stabiel, dat de Linehan wordt afgebouwd. Ik ben nu al meer dan een jaar GGZ-vrij. Mij kunnen ze niets meer maken.”
Het Linehan-certificaat kwam Nicole trouwens goed van pas tijdens een vervelende rechtszaak met haar ex-man over de omgangsregeling voor haar zoontje. Nicole heeft de volledige voogdij en wil die ook niet afstaan. “Ik heb een aangifte van 12 pagina’s tegen de vader vanwege kindermishandeling, maar de vader probeert op zijn beurt mijn borderline te misbruiken om aan te tonen dat ik geen geschikte moeder ben. Maar ik kan nu een verslag van mijn oude behandelaar laten zien dat ik een jaar lang therapie heb gevolgd, mét certificaat, en dat bovendien mijn behandelingen gestopt zijn. Zo toon ik dat ik een stabiele, capabele moeder ben en dat ik het aankan in mijn uppie. Met dat doel heb ik ook ondersteunend aanbod van het consultatiebureau gevolgd. In het certificaat staat: ‘€˜moeder en kind reageren goed op elkaar en kunnen elkaar loslaten.’ Zo zien ze dat ik capabel genoeg ben en dat ik alles doe om het voor mij en mijn zoontje zo leuk en zo goed mogelijk te maken.”

Helpen dingen te verbeteren

Gaandeweg ontdekte Nicole dat ze graag iets in de hulpverlening wilde gaan doen. Hoewel een opleiding ROC-DGO ( richting sociaal-cultureel werk) door omstandigheden al na een paar weken moest stoppen, gaf het haar wel de drive om door te gaan in de hulpverlening. “Door eigen ervaringen in de hulpverlening en door mijn eigen instelling voel ik me toch in staat om veel dingen rustiger te laten verlopen, mogelijk zelfs mee te veranderen.”
Bij jeugdzorg zette Nicole zich al constructief in bij tal van initiatieven. Zo zette ze een jongerenraad mee op. “Ik was toen al achttien, maar dacht: als oude rot moet ik mijn ervaring doorgeven. We overlegden met andere jongerenraden overal in het land en hebben zo heel wat veranderingen ingebracht. Toen ik al een jaar of 22 was, werd de afstand echter te groot en gaf ik mijn stokje door aan de volgende generatie.”
“Hoe meer jongeren met negatieve ervaringen vertrekken bij jeugdzorg (zoals ikzelf), hoe moeilijker jeugdzorg daar weer uit krabbelt. Toen ik stopte bij jeugdzorg, heb ik daarom samen met Fontys een training bejegening helpen opzetten. Fontys leverde de trainers, terwijl de ouders, pleegouders en jongeren (de ervaringsdeskundigen) de co-trainers waren. Aan de hand van al onze verhalen hebben we een drietal thema’s ontwikkeld waar we verder op hebben ingespeeld. In de vier jaar dat de training gegeven wordt, is het bij jeugdzorg een stuk draaglijker geworden en is er veel veranderd. Jongeren, maar ook ouders en pleegouders, hebben meer inspraak; er wordt serieuzer naar hen gekeken. De leiding besteedt nu meer tijd en aandacht aan de jongeren.” Nicole is trots dat ze daartoe heeft bijgedragen. “Het is erg leuk werk. Ik pak dingen graag aan; is het niet voor mezelf, dan wel voor de mensen na mij. Hoor ik meermalen hetzelfde negatieve verhaal, dan onderneem ik actie. Ik zie een probleem en een mogelijke oplossing. Dan help ik niet alleen mezelf, maar doe ik ook iets voor een ander. En als ik daarmee veranderingen tot stand kan brengen, is dat prima. Want het is beter een kaars aan te steken dan de duisternis te vervloeken.”
Nicole trekt deze lijn nu door bij het RSC-GGZ, een bureau bij GGZ Breburg waar ex-cliënten hun ervaringsdeskundigheid inzetten. Daar is ze sinds enige tijd co-trainer bij Samenspel, waarbij cliënten GGZ-medewerkers trainen in de juiste bejegening. “Iedere co-trainer krijgt eerst een basistraining en loopt dan een paar keer stage in een training. In de basistraining leer je de andere co-trainers kennen en zet je je GGZ-ervaringen op papier. Liefst niet alleen negatieve ervaringsverhalen, maar ook complimenten over dingen die wél goed zijn gegaan. Vervolgens gaan we in gesprek: waar zijn we als GGZ-cliënten tegenaan gelopen en waar lopen GGZ-medewerkers tegenaan? En hoe vind je de gulden middenweg?”
“Straks ga ik bij het RSC de cursus Crisiskaart geven; daartoe volg ik nu in Den Bosch een cursus voor crisiskaartconsulent. Dat vind ik leuk en ik heb er ook zin in. Een medecursist in Den Bosch zit me nu te pushen om de opleiding SPW-4 te gaan volgen. (Sociaal-Pedagogisch Werk, met ervaringsdeskundigheid).”

Gewoon lekker spontaan

“Ik ben nu 27 en heb het erg naar mijn zin bij het RSC. Ik heb mijn eigen plekje en kan mijn eigen tijd indelen. Uiteindelijk wil ik hoe dan ook een vast contract in loondienst. Desnoods pas over vier jaar, maar dat gaat gewoon gebeuren! Want ik wil niet mijn hele leven een uitkering. Ook mijn zoontje weet dat mamma naar school moet en centjes moet verdienen.
Sinds anderhalf jaar loopt het allemaal lekker: ik woon in mijn eigen huisje en alle taken zijn goed op orde. Ik heb nu mijn rust en stabiliteit, en de zorg voor mijn zoontje. Ik sta nu op tijd op en ga op tijd naar bed; dat zijn verantwoordelijkheden die ik toch in mijn eentje draag. Ik ben nu de Nicole zoals ik die graag zou willen zijn, en er is plek voor verbetering.
Mijn impulsiviteit is er nu wel wat af. Als ik nu een plan heb, ga ik pas na een jaar echt stappen ondernemen, om zeker te weten dat het haalbaar is en echt is wat ik wil. Soms ga ik met een vriendin ineens lekker een ijsje halen, of ik ga op een vrije dag ineens naar een pretpark. Maar dat heet dan niet meer impulsief, maar gewoon lekker spontaan.
Mijn oude behandelaar complimenteert me dat het zo goed met me gaat en zegt: ik kom je liever in de wandelgangen tegen dan als cliënt. Dan zeg ik: ik heb precies hetzelfde!”

(*) Op verzoek van de geïnterviewde is gekozen voor een fictieve achternaam.

Be Sociable, Share!