De mens is een veranderlijk wezen. Als Charles Waagenaar (51 jaar) op amicale toon met je aan het praten is, kun je je bijna niet voorstellen dat hij vroeger het volkomen tegenbeeld was: een verlegen vogeltje dat zich in het café zelfs nauwelijks durfde te verroeren. Hij is sinds een paar jaar verbonden aan het RSC-GGZ, een cliëntgestuurd bureau, waar hij zich bezighoudt met thema’s als lokale versterking en WMO.

Charles Waagenaar: “Het is moeilijk te zeggen wanneer mijn problemen zijn begonnen”, zo vertelt Charles. “Rond mijn veertiende was ik al erg onzeker, maar dacht dat dat gewoon was. Van mijn achtentwintigste tot mijn veertigste was het op zijn ergst, op het paranoïde af. Ik had veel last van paniekaanvallen, hartkloppingen en waanideeën. Vaak was ik bang dat ik dood ging, bijvoorbeeld in bed. Ook had ik angstaanvallen, terwijl er niets was om bang voor te zijn. Ik kreeg dan een tremor in mijn nek en het angstzweet brak me uit. Verder had ik schizoïde trekjes, met weinig contact met de mensen om me heen. Ik was zelfs zo verlegen dat ik in een café niet eens mijn glas bier durfde te pakken. Want dan zou ik een beweging maken en zou iemand me op kunnen merken. En op straat – alleen ‘s avonds, omdat er dan minder mensen waren – dacht ik bij iedere passant: ‘gaat hij me aankijken? Moet ik goedendag zeggen?’

Het RIAGG vond mijn probleem aanvankelijk te licht, ook omdat ik daar pas aanklopte toen het alweer wat beter ging. Ze vonden dat ik het zelf wel kon oplossen en ik kreeg het advies om de strijd aan te gaan met mezelf. Pas na lange tijd kreeg ik een gesprek met een hulpverlener; daar toonde ik voor het eerst mijn emoties.”

Overgeërfde ‘foutjes’

“Als kind had ik totaal geen idee hoe zo’n paniekaanval ‘getriggerd’ wordt. Ik werd bang, maar wist niet waarvoor. Later ontdekte ik dat mijn angsten teruggingen tot voor mijn geboorte. Mijn ouders hadden nogal wat meegemaakt, en die angsten gaven ze onbewust weer door aan hun kinderen. Ze ontkenden hun problemen echter: ‘wij zijn gezond; met ons is niets aan de hand’. Want voor hun generatie gold dat je je vuile was niet buiten moest hangen. Dat lukte lange tijd, tot ze ouder en kwetsbaarder werden. Rond haar zeventigste kreeg mijn moeder huilbuien en moest ze naar een psychiater. Later kreeg ook mijn vader problemen: hij werd depressief en raakte in de war.

Ik vermoed dat daar mijn persoonlijke problemen op terug te voeren zijn. In de literatuur staat dat bepaalde ‘foutjes’, bijvoorbeeld op het emotionele vlak, van generatie op generatie worden doorgegeven. Tot er een generatie komt die hogere eisen stelt aan het leven en zegt: ‘hier moet wat aan gebeuren!’ Zelf ging ik allerlei boeken lezen, waaronder Freud en Jung en Russische schrijvers als Dostojevski. Zo ontdekte ik dat er wel meer mensen waren die net zoals ik niet zo sociaal en communicatief waren.

Verder bleek er ook zoiets te bestaan als lotgenotencontact. Heel langzaam, over een periode van zo’n 15 jaar, leerde ik ook met mijn eigen angsten om te gaan. Ik herkende ze als ze omhoogkwamen, en leerde hoe ik ze kon relativeren. Overigens ben ik altijd wel blijven geloven dat het wel weer goed zou komen.

Vanwege de spanningen met mijn ouders liep ik op mijn zeventiende thuis weg. Tien jaar lang ben ik niet bij mijn ouders over de vloer geweest. Tot ik me realiseerde: mijn problemen zijn begonnen bij mijn ouders; daar moeten ze ook weer ophouden. Ik ging weer met hen praten, en stelde vragen over hún ouders. Uiteindelijk bleek toen dat het niet aan mij lag, maar aan mijn geschiedenis. Pas rond mijn tweeënveertigste begreep ik hoe het in grote lijnen in elkaar zat. Toen had ik nog een paar jaar nodig om het te integreren in mijn leven. Pas sinds de laatste vijf jaar gaat het redelijk goed met me; dat ik vlot in de omgang ben en zo. Af en toe komen mijn onzekerheden nog weleens omhoog, maar niet meer problematisch. Ik dank God op mijn blote knietjes dat ik zo ver ben gekomen. Maar ik ben ook trots op mezelf, omdat ik voldoende kracht, vasthoudendheid en uithoudingsvermogen bleek te hebben. Verder was ik intelligent genoeg om te ontdekken dat de oplossing voor mijn problemen gelegen was in het sociale verkeer tussen mensen. De leidende gedachte was: ‘ik wil me goed voelen!’ Ik wilde lekker in mijn vel zitten, aardig gevonden worden en goed kunnen communiceren. Temeer daar ik ook wel degelijk prettige jeugdherinneringen had. Ik dacht: als het ooit zo geweest is, dan moet het ook weer zo kunnen worden.”

Soms begeleidde Charles mensen die in de ellende zaten. “Vaak zaten ze compleet in de stront, waren ze aan de drank en hadden ze geen uitkering meer. Een tijdje begeleidde ik iemand die niets met instanties van doen wilde hebben. Op verzoek van zijn zus heb ik toen een half jaar bij hem in huis gewoond, waar ik hem met heel veel beleid en geduld begeleidde. Die man werkt nu bij een zorgboerderij. Ik kan zoiets omdat ikzelf, weliswaar in veel meer tijd, diezelfde beweging heb gemaakt. Ik kan daar goed mee omgaan.”

Je eigen kracht vinden

Enkele jaren geleden maakte Charles een vervelende periode mee. “Door een ongeluk raakte ik gehandicapt en kwam ik in de WAO terecht. Tien maanden lag ik depressief op bed. Toen pas had ik het geaccepteerd en ging ik op zoek naar vrijwilligerswerk. In januari 2006 had ik bij het RSC-GGZ een gesprek met Jeroen Kwak. Twee dagen later begon ik bij de Infodesk. Ik wilde echter niet alleen folders uitdelen en informatie aanbieden. In juni dat jaar ging ik naar een landelijk congres over lokale versterking. [Het programma Lokale Versterking wil de (lokale) belangenbehartiging verbeteren van mensen met een psychische handicap, verslaafden en dak- en thuislozen, SdL] Ik opperde wat ideeën en daar hadden ze wel oren naar. Ze boden me aan om ondersteuner te worden van de werkgroep WMO in de regio Midden-Brabant. Het bleek om een betaalde baan te gaan; daar ben ik meteen op ingegaan.”

Charles is een toonbeeld van empowerment. “Ik heb geleerd om de kracht te vinden in mezelf. Dat moet er altijd al in hebben gezeten, anders was me dat nooit gelukt. Ook wat scholing betreft ben ik trouwens een ‘selfmade man’: ik heb op de havo en de mts gezeten, maar heb die niet afgemaakt. Ik kan nu mensen helpen, doordat ik mezelf heb leren helpen. Ook voel ik andere mensen goed aan, doordat ik hun onzekerheden meteen herken. Hoewel ik vroeger erg verlegen was, ben ik als persoon vreemd genoeg ook best dominant. Maar omdat ik heb leren omgaan met die dominante karaktertrek, kan ik andere mensen ook de ruimte geven om met hun eigen verhaal te komen. Want ik wil niet te overheersend zijn. Als ik iemand in de rede val, ben ik altijd voorzichtig, om hem niet te kwetsen. Ik vond dat zelf vroeger namelijk altijd verschrikkelijk als het me overkwam. Ik kan me ook beter in anderen inleven, doordat ik zelf vroeger zo verlegen was.

Blanke lei

“Ik begreep vroeger al niet waarom mensen zo vaak ruzieden en vochten. Je kunt toch ook praten en onderhandelen? Luisteren of elkaar inspireren met goede ideeën is toch veel leuker dan herrie maken? Maar sommigen missen blijkbaar de handvatten.” Charles bezit die vaardigheden duidelijk wél, zo bleek enkele maanden geleden. “Een woedende GGZ-cliënt en zijn vriend werden richting RSC-GGZ gestuurd door drie behandelaren die niet wisten wat ze met hen aanmoesten. Toen ik hen gewoon een kopje thee aanbood en ze hun verhaal liet doen, werden ze ineens een stuk rustiger. Ik start altijd met een blanke lei: ‘ik ken jullie niet; vertel maar eens’. Zo geef ik aan dat ik onbevooroordeeld ben. De ene jongen zocht aandacht en wilde het beeld dat hij niet goed was, bevestigd krijgen. Dus zei hij dat hij in de gevangenis had gezeten, drugs had gebruikt en nog wat dingen meer. Hierop zei ik schouderophalend: ‘nou en; ik ook! Allemaal leuk en aardig, maar waarom kóm je hier nu eigenlijk?’ Mensen gaan immers naar de GGZ omdát ze problemen hebben, of dat nu met criminaliteit, woonruimte of wat dan ook is. Toen zeiden ze: ‘hè-hè, eindelijk eens een normaal iemand om mee te praten!’ Nu hadden ze het vertrouwen dat het RSC-GGZ ze kon helpen.

Zorgconsulent Piet Zegers, die hen verder hielp, zei me vier maanden later dat ze een huis hadden en dat het goed met ze ging. Hieruit blijkt weer eens de grote waarde van ervaringsdeskundigheid.”
Charles stemt zijn benadering af op de persoon tegenover hem. “Sommigen hechten aan vaste structuren, anderen juist niet. Daar hou ik rekening mee. Overigens liep ik vroeger ook wel eens tegen de regelgeving aan, tot ik begreep dat je niet zonder kunt. Het is zaak om die regels zo goed te leren kennen dat je er makkelijk mee om kunt gaan. Daarom ben ik me gaan verdiepen in wetsteksten, in procedures, in hoe je formulieren moet invullen. Dat heeft me geen windeieren gelegd. Ik begrijp nu beter hoe dingen werken, en hoe mensen in een bureaucratie zoals UWV of CWI werken en doen. Ik schrijf nu ook gewoon brieven naar dit soort instanties. En aan de telefoon bluf ik vaak: ‘ik heb overal verstand van. Stuur de formulieren maar, dan vul ik ze wel in’. Het kost me wel drie dagen om zo’n formulier te bestuderen, maar dan weet ik ook precies hoe het werkt. Na een paar keer ga je erop vertrouwen dat je dat wel kunt. Als je de klepel hoort en niet weet waar de klok hangt, kun je altijd nog de klok gaan zoeken.”

Nieuwsgierig baasje

“Ik zit hier op mijn plek en wil dit werk ook wel blijven doen. Ik voel me als een vis in het water. Wel blijf ik me steeds ontwikkelen. Misschien schuif ik nog wat op naar Zorgbelang of Lokale Versterking, of word ik politiek adviseur. Voor de politiek zélf voel ik echter weinig: te veel vorm, te weinig inhoud. Aristoteles zei al: ‘als je zo verstandig bent om je niet met politiek te bemoeien, word je geregeerd door mensen die dommer zijn dan jij’. Liever kijk ik met een ‘helicopter view’ waar de pijnpunten liggen en hoe ze aangepakt moeten worden.

Ik ben wel een nieuwsgierig baasje. Zo wil ik graag weten hoe allerlei structuren in elkaar zitten. Wie zitten er in de organisatie, wat doen ze, hoe staan ze in het leven, hoe gaan mensen en organisaties met elkaar om? Ik begrijp de materie steeds beter, al heb ik nog wel zo’n drie jaar nodig. Maar dan sta ik steviger in mijn schoenen om bepaalde vaardigheden toe te passen. Zo wil ik graag de communicatie en samenwerking tussen de verschillende zorgverlenende organisaties verbeteren, want de medewerkers zitten te veel op eilandjes. Geen makkelijke opdracht; daar heb ik wel een jaar of twee-drie voor nodig. Het is een groeiproces: eerst moet ik mijn schooldiploma halen, dan pas kan ik de grote boze wereld in.

Je moet je eigen vaardigheden steeds leren verbreden. Vaak onderschat je jezelf. Door nieuwe dingen aan te pakken, krijg je het gevoel: ‘ik kan het!’ Pas nog ben ik voor het blok gezet bij een conferentie in Zaal 16. Ineens zei de presentatrice: ‘Charles wil ook nog wat zeggen.’ Dat was ik straal vergeten; toch ging ik gewoon op het podium staan. Die spontane actie konden ze achteraf wel waarderen.”

Be Sociable, Share!