Dave Gollenbeek is sinds begin dit jaar co-trainer bij de nieuwe bejegeningscursus Samenspel die bij Traverse gegeven wordt. Openhartig vertelt hij over zijn levensverhaal. Onder meer over zijn depressies, maar ook hoe hij onder meer als beroepsmilitair zijn angsten heeft leren overwinnen.
Dave’s jeugd was naar eigen zeggen een hel. Meermalen kreeg hij slaag van zijn zeer dominante vader; vaak ook was er ruzie. “Regelmatig stond mijn moeder met een mes tegenover mijn vader en zei: kom niet aan mijn kinderen!” Rond zijn elfde overleed zijn moeder, zijn voornaamste medestander. “Vaders nieuwe vriendin was steeds op zijn hand; en ik kon als 11-jarige niet op tegen twee volwassenen. Dat heeft me echter wel gesterkt, en heeft me achteraf bezien door veel dingen heengesleept.”
Dave volgde na de Tilburgse Beatrix-mavo een opleiding tot hovenier aan de MAS (Middelbare Agrarische School) in Breda. Eigenlijk wilde hij iets met dieren doen, maar zijn vader vond dat daar onvoldoende werk in was. Ook is hij 2 ½ jaar beroepsmilitair geweest. “Dat was een bewuste keuze, vooral om thuis weg te zijn. Bovendien was het een traditie in mijn familie. Zelf zat ik in de Eerste Divisie ‘7 december’ in Ermelo; een heel mooie divisie, later opgegaan in de Luchtmobiele Brigade. Dave is best te spreken over die tijd. “Het klopt wat ze zeggen: het leger maakt een man van je. Je wordt harder en je leert tegen een stootje te kunnen. Ook heb ik mijn grenzen leren verleggen; dat is ook de essentie van het leger. Zo moesten we onder meer uit helikopters springen. Ook heb ik 12 parachutesprongen gehaald – ondanks mijn hoogtevrees. Angst is bedoeld om je te waarschuwen, zolang het maar niet te overheersend wordt. Als soldaat bestaat ook altijd de kans dat je om het leven komt. Zo is mijn opa in Nederlands-Indië gesneuveld. Maar dat hoort nu eenmaal bij het beroep.”
Ja-ritme
Ook op andere punten heeft Dave zich over grenzen heengezet. “Omdat ik vroeger best stil was, gebruikte ik praten als wapen tegen mijn verlegenheid. Zo werkte ik zo’n 5 jaar als telefonisch verkoper. “Voor het sollicitatiegesprek had ik me gewoon naar binnen gekletst. En toen bleek dat ik nog geen verkoopervaring had, zei ik: als ik me hier naar binnen kan ouwehoeren, kan ik ook alles via de telefoon verkopen. Ik was meteen aangenomen.” Als verkoper werkte Dave 8 uur per dag, 36 tot 40 uur per week. “Een heel makkelijke baan: ik kon met louter ouwehoeren mijn geld verdienen. Je hebt ook geen papieren nodig, alleen ervaring.” Hij werkte onder meer voor KPN, voor Tele2 en voor de klantenservice. ”Ik leerde hoe ik mensen in een ‘ja-ritme’ kon brengen. Als je eerst een aantal vragen stelt die je met ‘ja’ beantwoordt (‘hebt u een auto?’, ‘hebt u een tv?’), zullen ze een vraag als ‘wilt u ons product eens proberen?’ ook makkelijker met ‘ja’ beantwoorden. Voor de ene opdrachtgever probeerde ik mensen te werven voor groene stroom, om ze voor de andere opdrachtgever juist weer te winnen voor de gewone, ‘grijze’ stroom. Daar zag ik de humor wel van in. Humor is sowieso altijd mijn belangrijkste wapen geweest. Je moet altijd minstens één keer per dag kunnen lachen. Ik heb medelijden met mensen die dat nooit kunnen. Als ik op een mooie dag de vogels hoor fluiten, ben ik blij dat ik ben opgestaan. Al val ik straks dood neer, dit heb ik alvast weer gehad. En als ze bij mijn crematie het AC/DC-nummer ‘Highway to hell’ draaien als ik de oven inga, zal ik me in het hiernamaals zitten te verkneukelen.”
Toch waren er tijden dat Dave nauwelijks kon lachen, doordat hij diverse malen depressies had. “Dan zag ik vaak geen enkel lichtpuntje. Ik zag het niet als het een mooie zomerse dag was. Het was één groot zwart gat, waar geen eind aan leek te komen. Gelukkig is het uiteindelijk toch goed gekomen; het gaat weer bergopwaarts. Mijn laatste grote depressie was in 2007. Ik raakte alleen maar dieper in de put doordat ik de oorzaak niet wist. Ook mijn huurbaas zag dat het niet goed met me ging. Maar ik wilde niet opgenomen worden in de GGZ. Deels vanwege het stigma, deels omdat ik mijn hand niet wilde ophouden en zelfstandig wilde blijven. Maar toen ik mijn rekeningen en mijn huur niet meer kon betalen, stond ik op straat. Gelukkig kon ik mijn spullen bij vrienden parkeren en daar af en toe ook blijven slapen. Soms sliep ik onder bruggen, of in parken en bosjes. Hier kwam mijn militaire training wel van pas. Ik had het gevoel: ik red het nog wel. Maar op straat leven is niet gezond voor een mens. Het is een ontzettend hard leven. Zwervers zijn rond hun vijfenveertigste vaak al helemaal op; ze kunnen weinig meer.”
Kennissen wisten hem ertoe te bewegen hulp te zoeken bij Traverse. “Dat was een ‘wake up call’; vanaf de straat was het me nooit gelukt. Ik sliep eerst een aantal weken bij het Dienstencentrum en kwam toen bij de Crisisopvang. Ze vonden me echter veel te goed voor de standaard zwervers. Ik leek niet iemand die heel zijn leven zou blijven zwerven, omdat ik nog jong was en nog vooruit kon komen.”
Puzzelstukjes
Bij de Crisisopvang kreeg hij het advies om met de GGZ te gaan praten. Hij bleek een bipolaire stoornis te hebben. “Alle puzzelstukjes vielen op hun plek; hier was ik al die jaren tegen aan het knokken. Toch wil ik niet opgehangen worden aan een ziektebeeld. Handig om te weten; maar ik wil me er niet te veel mee identificeren. Want daarnaast ben ik ook nog gewoon mens. Ik ben ook niet bang voor een stigma; dat werkt pas als je je er zelf naar gaat gedragen. Mijn zus heeft ook een bipolaire stoornis, maar die is er heel erg naar gaan leven. Daar heb ik geen zin in; ik blijf liever gewoon mezelf. Ik kijk ook altijd naar mensen zoals ze zijn en luister niet te veel naar mijn eigen vooroordelen. Al kloppen de vooroordelen over daklozen in 9 van de 10 gevallen. Ze drinken inderdaad veel bier, maar alleen doordat dat het hongergevoel wegneemt; ook ben je even in een roes. Bovendien is bier spotgoedkoop.”
“Het was wel even wennen toen ik bij Traverse in aanraking kwam met gebruikers van hard drugs. Op het sociaal pension is zelfs iedereen verslaafd, en dat wordt ook geaccepteerd. Zelf heb ik daar nooit behoefte aan gehad. Ik heb wel ooit geblowd, maar ben 15 jaar geleden gestopt; ik had er geen zin meer in. Overigens duurt verslaving je hele leven; de verleiding blijft continu op de loer liggen. Zelfs al drink je 20 jaar niet meer, toch blijf je nog steeds verslaafd. Ik ken iemand die al 20 jaar probeert te stoppen met heroïne. Keer op keer gaat hij weer op zijn bek, maar hij blijft het proberen; daar heb ik respect voor. Vanwege lichamelijke onrust rook ik zelf zo’n 2 pakjes shag per week. Dat is wel relaxed, maar die continue behoefte aan een shagje zit in feite gewoon tussen je oren. Overigens zijn medicijnen eigenlijk net zo erg als drugs. Daarom ben ik daar ook eigenhandig mee gestopt. Op een dag vertelde ik mijn psychiater dat ik al een maand gestopt was met de lithium die ik slikte tegen mijn depressie. Hij zei dat dat niet zomaar kon; desondanks vond hij dat ik er toch best goed uitzag. Sindsdien heb ik hem niet meer gesproken. Ik heb sowieso weinig met de GGZ te maken; ik trek mijn eigen plan wel. Een psychiater kan wel zien dat ik me niet goed voel, maar niet waar het aan ligt. Als het naar mijn gevoel niet klopt wat hij denkt, geef ik dat ook aan.”
Handen uit de mouwen
Sinds kort is Dave co-trainer bij een bejegeningscursus bij Traverse. “Medewerkers vinden het een leuke cursus waar ze veel aan hebben gehad. We hebben heel wat duidelijk kunnen maken, als ‘wake up call’ voor cursisten en medewerkers, want er gaan nog steeds dingen mis. Zo hebben medewerkers soms de deur van hun werkkamer dicht. Dat werpt voor cliënten een drempel op om hulp te vragen en is niet echt uitnodigend. Ook beseffen medewerkers vaak niet welke impact het heeft om steeds van het kastje naar de muur te worden gestuurd. Minder communicatieve cliënten zeggen dan vaak: laat maar zitten.”
“Ik geef de cursus veelal samen met een andere cliënt van Traverse. Die is wat stiller dan ik, maar wát hij wat zegt, maakt altijd indruk. Zelf zou ik mensen zo van de sokken kunnen praten; daar heb ik echter niets aan. Wel kan ik nog steeds mijn snep gebruiken als ik mensen op hun plaats wil zetten, want ik ben feitelijk nog steeds een boefje van de straat.”
“Ik ben nu aan het afbouwen bij Traverse. Via Bureau Schuldhulpverlening ben ik mijn schulden aan het aflossen; ik hoop over twee jaar schuldenvrij te zijn. Voor het eerst sinds een tijd heb ik ook weer wat spaargeld. Ook hoop ik over een tijdje een eigen flat te krijgen. Ik heb een hele tijd niet kunnen werken, maar wil nu weer naar 20 uur per week gaan. Momenteel verzorg ik als vrijwilliger honden op het dierenopvangcentrum. Dat is leuk om te doen; bovendien steek ik zo de handen uit de mouwen en doe ik iets terug voor de maatschappij. Ze denken weleens dat je bij Traverse gepamperd wordt en zelf niets hoeft te doen, maar je moet wel alles zelf in gang zetten. Als je niet zelf de stap zet, zul je nooit ergens komen. Ik ben niet van plan om opnieuw bij Traverse terecht te komen, al ben ik altijd welkom als het niet mocht lukken.”
“Mijn grootste wens is een eigen flat, kinderen en leuk vast werk. Met 10 miljoen euro zou ik een boerderijtje kopen in Moerenburg, met een muziekstudiootje erbij. Ook zou ik een fonds instellen voor vrienden van mij die krap bij kas zitten, en geld schenken aan goede doelen zoals het dierenasiel. En als ik verder maar gezond blijf, is het wat mij betreft wel goed.”

