Ondanks een traumatische jeugd en een diepe inzinking is Mela de Jaeger (*) toch nog goed terecht gekomen. Nu zet ze haar ervaringen in als ervaringsdeskundige bij het Regionaal Service Centrum GGZ. “Ik ben heel blij dat ik hier van iets negatiefs nog iets positiefs kan maken. Een idealere baan bestaat er niet.” Ook geniet ze nu eindelijk van het leven. 

Mela is het achtste kind in een ‘echt gestoord’ gezin van negen kinderen. “Buurtkinderen mochten ook niet bij ons komen. ‘Dat huishouden spoort niet’, werd gezegd. Mijn vader, een oud-SS’er, was heel dominant. Ik was doodsbang voor hem, ook al zat hij in een rolstoel. Ik was zelfs bang dat hij gedachten kon lezen. Voor straf moest ik vaak een kwartier lang met een baksteen boven mijn hoofd gaan zitten, met mijn knieën in een klomp. Liet ik de baksteen zakken, dan kreeg ik een oplawaai en begon het kwartier weer opnieuw. Mijn moeder was onderdanig maar stiekem; alles briefde ze door. Ooit zei ze tegen mijn klasgenoten dat ik een hoer was, omdat ik naar een gynaecoloog ging. Dat heb ik haar niet kunnen vergeven, omdat de school de enige plek was waar het nog een beetje mee zat. Misschien deed ze het wel uit aandachttrekkerij.” Op een dag trof Mela haar moeder aan in bed met een vreemde man. Ze bleek zich te prostitueren. “Ze zei zelfs uitnodigend: kom er maar bij liggen! Ik voelde meteen: dit klopt niet. Mijn vader wist ervan, maar liet het gewoon toe.”

Mela werd vanaf haar vierde seksueel misbruikt door twee oudere broers. “Met een vijf jaar oudere zus sliep ik altijd in een tweepersoonsbed. Eerst werd alleen zij misbruikt (vreemd genoeg met haar instemming), later werd ik er ook bij betrokken. Mijn moeder wist ervan, maar deed er niets tegen. Hierdoor had ik thuis nooit dat gevoel van veiligheid dat een kind normaal wel meekrijgt. Toen ik later met mijn familie over het misbruik begon, deden ze het af als niet meer dan ‘een spelletje’. De oudste van die twee broers kan nu ook bij zijn oudste dochter zijn handen niet thuishouden. Soms denk ik: hierboven zijn ze erg oneerlijk.”

Leeuwin komt naar boven

“Aanvankelijk was ik heel timide; ik deed maar wat van me verwacht werd. Zo ging ik naar de huishoudschool, want koken en kleding maken vonden ze voor mij al meer dan genoeg. Alleen met dansen voelde ik me vrij; daarom werd ik Poppedeintje genoemd. Het geeft me nog steeds overlevingsdrang; dan gooi ik er even alles uit.
Ik trouwde op mijn achttiende. Maar soort zoekt soort: mijn eerste man bleek net als mijn vader. Na de geboorte van mijn dochter bleek zijn ware aard. Uit jaloezie op de baby, die veel aandacht kreeg, sloeg hij me regelmatig in elkaar en moest ik met botbreuken naar de eerste hulp. Eerst legde ik me daarbij neer, tot hij zijn agressie ook op mijn dochter ging uiten. Toen kwam de leeuwin in me naar boven, want je beschermt toch je eigen kind. Ik zei: ‘kom niet aan dat kind; over mijn lijk!’ Ik pakte mijn spullen en vertrok. Acht maanden woonde ik in bij mijn oudste zus. Maar ook mijn zwager kon zijn handjes niet thuishouden. Toen hij op een dag vroeg of hij aan mijn borsten mocht zitten, riep ik: ‘laat me met rust; dit pik ik niet meer!’ Voor het eerst kwam ik echt voor mezelf op.
Na mijn eerste man is geen enkele relatie meer goed gelopen. Mishandeling herkende ik, maar ik kon me niet voorstellen dat iemand echt van me hield – ook als dat wel zo was. Vaak was de angst mijn partner kwijt te raken zo benauwend dat die juist daardoor wegliep. Maar ik vind het niet meer erg om alleen te wonen; zo kan ik mezelf leren ontdekken.”

Losmaken van thuis

“Twaalf jaar geleden heb ik gebroken met mijn familie; het gaf alleen maar ballast. Maar omdat ook mijn dochter recht had op twee opa’s en oma’s, nodigde ik mijn ouders voor haar communie uit voor een gesprek bij mij thuis. Dan kon ik hen zonodig zelf de deur wijzen. Ze waren heel zenuwachtig en mijn vader liet doorschemeren dat hij het niet goed had aangepakt.
Het was heel moeilijk om mijn vader los te maken. Ook doordat hij zich van het leven heeft beroofd door zich te verhangen; vanwege het taboe kun je daar met niemand over praten. Na zijn dood zag ik nog steeds constant zijn afkeurende blik, die zei: ‘je bent niks en je zult niks worden’. Dat belemmerde me heel erg, tot een alternatief genezer me daarvan af hielp.
Na mijn vaders dood kreeg ik meer contact met mijn moeder. Zij bleek ook een heel moeilijke jeugd te hebben gehad en is ook misbruikt. Toch kon ik haar nooit vergeven. Zelf heb ik ondanks mijn beschadiging mijn dochter altijd beschermd, waarom kon zij dat dan niet voor mij? Anderhalf jaar na mijn vader overleed ze aan suikerziekte met complicaties; een hele martelgang. Op het eind was haar enige wens nog: ‘ik wil naar ons pap’. Ze kreeg toen alleen nog morfine. Terwijl ze nog helder was heeft ze van iedereen afscheid genomen.”

Breekpunt

Na al haar ervaringen wilde Mela zich inzetten voor de veiligheid van anderen: na een opleiding ging ze werken als beveiligingsbeambte bij de politie. Hierna volgde ze een politieopleiding. “De zedenpolitie loopt echter vaak achter de feiten aan. Het duurt veel te lang voordat de problematiek van kinderen wordt herkend en ze de juiste hulp krijgen; dat moest veel sneller. Vanwege mijn drive werd ik uiteindelijk toch toegelaten, als oudste van de groep. Maar in 1997, ik was toen 37, ging bij een dienstongeval mijn knie aan gort. Omdat ik niet elders kon worden ingezet, was het einde oefening. Na werkweken van wel 80 uur werd ik ineens met mezelf geconfronteerd en begon de ellende. Het breekpunt was zes jaar geleden, toen mijn kleindochter werd geboren toen ik net op vakantie was. Terug in Nederland was de sfeer ijzig. Toen ik mijn dochter kort na haar verhuizing naar Turnhout belde, zei ze dat ik haar met rust moest laten. Ze wilde me niet meer in haar leven hebben. Ik stond verstijfd aan de telefoon; dit had ik niet verdiend. Want ik heb haar altijd een gevoel van veiligheid meegegeven en was er altijd voor haar. Toen een half jaar later een brief retour kwam met ‘bewoner onbekend’, en vervolgens ook haar telefoonnummer niet meer in gebruik bleek, ging ik helemaal onderuit. Mijn levensdoel was in één keer weg; ik voelde me nutteloos. Waar zou ik me nog voor inzetten? Pas als zij en mijn kleindochter (en nu ook een kleinzoon) terugkeerden in mijn leven, had mijn leven weer zin.”

Kiezen voor het leven

“In 2004 ging het snel bergafwaarts. Ik werd zwaar depressief, deed aan automutilatie en had woede-uitbarstingen. Ook ging ik uit verveling heel veel drinken. En dat terwijl ik wel 23 tabletten per dag slikte om weer rustig te worden, vooral antidepressiva en tranquillizers. Geen goede combinatie dus. Mijn psycholoog zag net als ik dat het zo niet meer ging. Maar mijn diagnose, borderline, was onvoldoende voor opname. Na een jaar bij Traverse in Tilburg kreeg ik een semi-HAT bij het RIBW: een verdieping met vier mensen. Dat ging echter niet goed. Op een dag nam ik al mijn medicijnen in één keer in, samen met een fles wodka. Bloedend op de grond kwam ik bij in de douche. Het bleek dat ik me had willen ophangen – net als mijn vader. Gelukkig was de schroef afgebroken en was ik door zuurstofgebrek tegen de tegels gevallen. Het litteken hiervan dient als waarschuwing: zover mag het nooit meer komen. Woedend dacht ik bij mezelf: ‘nu moet je kiezen: of je gaat door op deze doodlopende weg, of je gaat nu knokken!’ Ik koos voor het laatste, want dit wilde ik absoluut niet meer. Ik koos voor het leven en voor mezelf – al is dat niet de gemakkelijkste weg.
Na drie weken op de detox ging ik terug naar huis. Ook stopte ik met bijna alle medicatie, op één antidepressivum en één slaaptablet na. En toen ben ik echt gaan opknappen. Knokken, knokken en nog eens knokken; helemaal op eigen kracht. De gesprekken met mijn psycholoog, die me kent vanaf mijn grootste dieptepunt en bij wie ik me echt op mijn gemak voel, werden veel opener en ik durfde ook mijn zwakheden en valkuilen aan te geven. Dat heeft me steeds sterker gemaakt en sindsdien ben ik alleen maar gegroeid. Ik heb nooit meer de behoefte gehad om extra medicijnen te nemen of om me te snijden.”

Positieve energie

Sindsdien ging het bergop. Ze begon met vrijwilligerswerk: eerst als taalvriendin (Nederlands leren aan allochtone vrouwen) en vanaf december 2007 als ervaringsdeskundige voor het RSC-GGZ. “Bij alles wat ik doe, staat de cliënt centraal. Cursisten motiveer ik door hen te laten kijken naar hun mogelijkheden – niet naar hun beperkingen. GGZ-cliënten worden vaak nauwelijks gemotiveerd en blijven op hetzelfde punt steken. Ook moet zelfkennis meer gestimuleerd worden. Tijdens cursussen vertel ik ook vaak wat over mezelf, al geef ik details over mijn jeugd alleen als ze dat aankunnen. Bij GGZ-medewerkers maak ik me sterk voor rehabilitatie en reïntegratie, want daar hapert het nogal eens aan. Daardoor vallen mensen vaak in een gat en komen ze weer terug bij de beginfase van hun behandeling. Ook koppel ik terug naar andere werkgroepen. Ze luisteren echt naar me; dat geeft me het gevoel dat ze me voor vol aanzien.
Alles valt hier op zijn plaats; het heeft zo moeten zijn. Ik ben heel blij dat ik hier van iets negatiefs nog iets positiefs kan maken. Een idealere baan bestaat er niet. Je krijgt ook veel terug. Toen ik ergens inviel, kwam iedereen met vragen naar mij toe. Dit omdat mensen zich bij mij veilig en op hun gemak blijken te voelen. Dan bloei ik helemaal op en denk: yes! Dat heb ik dus zelf bereikt! Er is hier een goede balans tussen de inspanning enerzijds en de positieve energie als ik iets bereik anderzijds. Het zou heel erg zijn als ik hier weg moest.”

Tweede jeugd

“Toen ik twee jaar geleden voor het eerst in mijn leven echt voor mezelf koos, kwamen al mijn deskundigheid in het overleven en al mijn kracht naar boven. Dan blijk je veel sterker dan je altijd hebt gedacht. Vroeger kon ik maanden verdrietig zijn. Nu jank ik gewoon een uur en pak daarna de draad weer op. Toen vorig jaar mijn nieuwe vriend plotseling overleed waren alle ingrediënten aanwezig om weer onderuit te gaan. Maar daar zit ik niet meer op te wachten. Nu woon ik sinds december weer op mezelf; dat vond ik doodeng. De nacht is voor mij namelijk altijd erg beladen geweest; dan kwamen mijn broers en werd ik mishandeld door mijn ex. Als ik naar bed ga moet ik wat overwinnen, want door elk geluidje schiet ik al overeind. Overal gaan sloten op en er blijft een lichtje branden. Die kronkels zal ik altijd wel blijven houden. Elke nacht neem ik nu een slaappil. Geen oplossing voor alles, maar als dit als enige overblijft van alles wat ik heb overwonnen, dan is dat nog niet zo slecht.”

“Ondanks mijn verleden is dus een nieuw leven mogelijk. Ik begin nu aan mijn tweede jeugd en haal nu alles in wat ik vroeger gemist heb. Ik maak er een feestje van, want ik vind mezelf nu de moeite waard. Als ik met een vriendin door de stad loop, ga ik lekker uit mijn dak. Laat ze maar denken: wat een overjarige puber! Ook ben ik benieuwd waar mijn grenzen liggen, want ik wil nog zoveel! Ik wil mezelf vrij voelen en zelfvertrouwen hebben. Rond mijn vijftigste wil ik heel stevig in mijn leven staan, met een betaalde baan, zonder schulden. Mijn behandelaar zei: ‘jouw succesverhaal maakt mijn werk ook geweldig!’ Tegen cliënten zeg ik: verbetering is altijd mogelijk. Ook kleine dingetjes maken je leven al een stuk leuker. Je hebt al winst als je ‘s ochtends gemotiveerd je bed uitkomt en denkt: ik ga eerst lekker douchen!”

 

(*) Op verzoek van de geïnterviewde is gekozen voor een fictieve naam.

Be Sociable, Share!