Carola Ochs is een toonbeeld van wilskracht. Na een zwaar en heftig leven met veel dieptepunten zag ze toch weer licht aan het eind van de tunnel. Nu heeft ze haar missie in het leven gevonden: een stem geven aan de vele lamgeslagen cliënten in de psychiatrie. Waarbij ze probeert de psychiatrie uit het verdomhoekje te halen, en de buitenwereld openlijk vertelt over haar borderline. “Ik vind het niet meer erg om een gekleurde muis te zijn.”

“Het leven is niet makkelijk geweest”, zo steekt Carola meteen van wal. “Het was vaak zwaar en heftig, met enorme ups en enorme downs. Soms zag ik het echt niet meer zitten. De problemen begonnen feitelijk al vóór mijn geboorte, toen ik nog in de buik van mijn moeder zat. Ik ben namelijk verwekt uit een verkrachting. Mijn moeder heeft geprobeerd me te aborteren; dat is echter niet gelukt. Ik was dus absoluut niet gewenst als kind – en nog steeds voel ik me vaak niet gewenst.”
Haar biologische moeder stond haar af aan een adoptiegezin in het Westland. Hier groeide Carola op en kreeg ze een katholieke opvoeding. “Op school werd ik altijd verschrikkelijk gepest vanwege mijn uiterlijk en vanwege het feit dat ik geadopteerd was. Bovendien had ik een rare achternaam.

Kinderen liepen me altijd te schoppen en te slaan. Ik deed nooit ergens aan mee; ik zat altijd op mijn kamertje muziek te luisteren. Ik voelde me nooit prettig bij mensen. Daardoor ging het ook met het leren niet goed, hoewel ik wel een heel slim kind was. Waar iemand anders een uur nodig had om een antwoord te vinden, deed ik het in een kwartier. Maar als het eropaan kwam, deed ik het niet. Vooral op de lagere school was dat echt een ramp; op de middelbare school ging het gelukkig wat beter. De leraren zagen wel dat ik intelligent genoeg was. Ondanks zware onvoldoendes ging ik daarom tóch altijd over.”

Rare bokkensprongen

“Overigens zou het heel anders zijn gegaan op school, als ze mijn ziektebeeld eerder hadden onderkend. Want eigenlijk heb ik al mijn hele leven borderline. Ik had eerst ADHD, en dat is doorgegroeid naar borderline. Ik ben bijvoorbeeld enorm impulsief en kon vroeger vaak hele rare bokkensprongen maken. Dan bedacht ik ‘s nachts ineens: ‘ik kan wel eventjes naar Hamburg rijden’. En in Hamburg dacht ik: ‘ik kan wel even naar Barcelona rijden’. Zo ging dat. Of ik pakte de trein en ging naar Parijs. Het maakte allemaal niet uit; het mocht geld kosten. Ik had dat geld wel niet, maar dan ging ik wel weer een lening aan. Idem dito met aankopen. Het was van: hebben-hebben-hebben, kopen-kopen-kopen.

Maar de diagnose ‘borderline’ is pas later gesteld; in de jaren zeventig en tachtig wist nog bijna niemand wat dat was. Ze hebben trouwens in de loop van de tijd tal van diagnoses op proberen te plakken: narcistisch, regressief en ga zo maar door. Maar als je dat allemaal serieus neemt, word je helemaal kierewiet. Het maakt ook niet uit wat voor diagnose je hebt – al is het soms wel makkelijk om je erachter te kunnen verschuilen.

Eerst dacht ik nog: ik ben gezond en er is niks aan de hand. Ik had een tijdlang zelfs een eigen PR- en marketingbureau, en ook werkte ik ooit bij een telecombedrijf met 300 man onder me. Maar op een gegeven moment viel dat beeld in duigen. Mijn man liep van me weg, mensen maakten me belachelijk, en veel mensen liepen -nee: vluchtten – met alles wat ze hadden zo hard mogelijk van me weg. Dan is er dus wel degelijk iets aan de hand. Temeer daar ik door mijn borderline op een gegeven moment financieel door de bomen het bos niet meer zag en problemen kreeg met schuldeisers. En ook het werk kon ik niet meer aan.”

Van het kastje naar de muur

Carola besloot haar heil te zoeken bij de GGZ, maar dat was geen succes. “Ik werd er echt van het kastje naar de muur gestuurd. Op een gegeven moment kreeg ik Linehan-therapie [een combinatie van groepstherapie en individuele gesprekken, speciaal voor mensen met borderline, SdL]. Maar in die groep zei de ene: ik ga naar huis om zelfmoord te plegen. Anderen waren verslaafd aan de heroïne of de wodka. Verder had een vrouw net getippeld, een ander had ruzie gemaakt, en weer een ander zat de hele dag op het internet om te vertellen hoe ellendig het leven wel niet was. Ik dacht meteen: ja, maar híer hoor ik niet thuis! Ik werd toen doorverwezen naar Begeleid Wonen, maar al bij het eerste gesprek zeiden ze: ‘jouw ellende is te groot; zoek het maar uit’.

Uiteindelijk kwam ik bij de RIBW terecht. Ondanks een enorme wachtlijst werd ik al binnen twee maanden aangenomen. Dat was wel zó godsgruwelijk snel! Mijn eerste begeleider, Chris, die tevens divisiehoofd was, heeft heel veel voor mij gedaan. Hij begréép mijn ellende; hij stond nergens van te kijken. Hij heeft deze taak van begeleider later overgedragen aan een heel lieve vrouw, Willemien. Chris is nu zelf regiomanager, maar ik heb nog steeds een bepaalde band met hem. Als er écht problemen zijn, haalt hij alles uit de kast om me te helpen. Verder heb ik nu een mantelzorger, Maarten, die alle kooltjes voor me uit het vuur haalt als er iets is, terwijl een aandachtsfunctionaris bij de cliëntencommissie, Kees, functioneert als ‘vliegende keep’. Ook heb ik nog een rehabilitatiebegeleidster, Antoniek. Moet je kijken hoeveel mensen ik heb!

Dankzij de RIBW kreeg ik het gevoel: er is licht aan het eind van de tunnel. Hoewel ik er nog lang niet ben, ben ik wel stabiel. Ook ben ik mijn medicijnen aan het afbouwen, en dat gaat best goed. En omdat ik nu goed functioneer, hebben mijn ouders min of meer mijn schuld vrijgescholden. Als ik nog eens in een goede financiële positie kom, zal ik hen ook niet vergeten. Verder heb ik geleerd om niet meer zo impulsief te zijn met aankopen. Als ik nú iets wil hebben, dan ga ik eerst máánden zitten denken – totdat die broek onderhand uit de winkel zélf wegloopt. En dan probeer ik ook nog een hoop af te pingelen van de prijs. Ik hoef ook niet meer meteen de nieuwste apparatuur te hebben. Als de kinderziektes eruit zijn, is het ook vaak de helft goedkoper. Dat heb ik mede geleerd van mijn vriend. Hij kan heel goed met geld omgaan en heeft ook veel voor mij gedaan.”

Zoeken naar geestelijke rust

“Ik heb veel ellende gehad, en ook veel onbegrip. Mensen hebben totaal geen begrip voor me; ze denken dat ik een landloper en een klaploper ben. Als ze eens weten wat ik allemaal heb meegemaakt! Maar ieder huisje heeft zijn kruisje. Vaak denk ik: wees blij dat jullie dát hebben en niet dit. Hier in het dorp werd verschrikkelijk geroddeld over wat ik vroeger uitgehaald had. Maar wat geweest is, is geweest. Ik heb ook amper meer contact met mijn buren. Vroeger wel, daar deed ik erg mijn best voor. Zo heb ik me erg ingespannen voor een paar asielzoekers even verderop, maar ze misbruikten me financieel en bedonderden de boel. Ik heb nu geen contact meer met ze. Als ze me eenmaal gekwetst hebben en mij in een crisis hebben gegooid, dan wil ik niets meer met hen te maken hebben. Ik vergeef iedereen – dat is mijn katholieke overtuiging – maar ik kan niets vergeten. Als er eenmaal een wig tussen ons staat en het is niet meer te overbruggen, dan leven we verder vreedzaam langs elkaar heen – en that’s it!

Het liefst zou ik op een boerderijtje ergens rustig achteraf willen wonen, waar ik met niemand iets te maken heb. Geestelijke rust is voor mij erg belangrijk. Soms voel ik me ook echt geestelijk moe en dan wil ik heel graag slapen. Dan kap ik alles af en geef ik mijn geest de rust – ook al heb ik verdriet. Vroeger kon ik weken verdriet hebben over iets onbenulligs; nu slaap ik er gewoon een nachtje over. Vaak is dan die ellende daags erna alweer voor zestig procent minder geworden.”

Carola ondervindt overigens ook veel steun aan haar geloof. “Vroeger heb ik me een tijdlang afgezet tegen het katholieke geloof waarin ik ben opgevoed. Ik haatte de paus; ik vond hem een grote massamoordenaar omdat hij condooms niet toestaat. Ik ben toen heel erg gaan zoeken en sloot me aan bij de pinkstergemeente. Met de bijbel op zak ging ik toen mijn moeder vertellen hoe zij volgens de bijbel moest leven. Toen kwam dus al die borderline bij mij naar buiten. Maar op een gegeven moment heb ik mijn draai in het geloof wel weer gevonden. Wanneer ik nu naar de kerk ga, voel ik me daar welkom. Als we een lied als ‘Geef mij kracht’ zingen, dan kan ik daar zo in opgaan dat anderen me vreemd aankijken. Bij de RIBW woont overigens een pastor, met wie ik heel goed over het geloof kan praten en en voor wie ik ook veel respect heb. Een geestelijke die zich ondanks een psychiatrische diagnose toch staande weet te houden, dat vind ik erg knap. Hoewel het niet altijd makkelijk voor hem is, doet hij toch nog zijn ding en is hij nog steeds erg gedreven. Daar heb ik veel bewondering voor. Hij houdt zich vast aan het geloof en straalt ook rust uit; dat vind ik heel mooi. Zelf spreek ik hem altijd aan met ‘pastor Ad’ en ‘u’.

Ik kan er niet tegen als medewerkers ‘Ad’ tegen hem zeggen; ik vind dat niet getuigen van respect. Als hij verhinderd is, bid ik trouwens zelf soms ook voor bij de RIBW [bij het dagactiveitencentrum in Moergestel, SdL]. Als daar iemand ziek is of geopereerd moet worden, of een familielid is ziek of overleden, dan gedenk ik ze in het gebed. Bij de RIBW vinden veel mensen steun aan het geloof, maar een minuutje bidden is voor hen wel genoeg. Mensen die niet gelovig zijn, willen gewoon een minuutje stilte; daarna spreek ik een paar woordjes. Dat zijn van die kleine dingen die ik kan doen.”

Uit het verdomhoekje

Ook daarbuiten zit Carola geen moment stil. Vijf dagen per week is ze te vinden op het activiteitencentrum in Moergestel, terwijl ze op zaterdag activiteiten doet met een andere cliënt. Ook zit ze in de cliëntenraad van de RIBW en in allerlei commissies en werkgroepen. En eens in de zoveel tijd heeft ze overleg met directeur Artie van Tuijn. “Meer kan ik er nu echt niet bij hebben; dat wordt me te veel. Ik ben van ‘s ochtends vroeg tot ‘s avonds laat bezig. Mijn hele maand zit bijna propvol, en ik heb ook mijn uren rust nodig.”

Carola maakt zich vooral sterk voor de RIBW en zijn cliënten. “Dat PR-werk is mijn missie in het leven. Het is belangrijk dat de psychiatrie naar buiten komt, dat je haar een stem geeft. Psychiatrie is altijd taboe geweest. Daarom moeten we haar uit het verdomhoekje halen en zeggen: ‘luister, wij zijn niet eng! Het kan iedereen overkomen.’ Veel cliënten hebben namelijk geen stem meer: door de medicijnen, door de situatie, door de diagnose. Of doordat ze denken: ja, het is wel goed! Dan heb je iemand nodig met een grote bek – en die heb ik wel. Om die reden wil ik ondanks mijn drukke agenda wél altijd tijd vrijmaken om voorlichting te geven, met name op scholen. Dan vertel ik over diagnoses, over psychiatrie, over diverse fases in het leven van een jonge mens. Over hoe een beschadigd mens, maar ook een gezond mens, zijn leven ontwikkelt. Over wat een beschadigd kind of een kind in de psychiatrie allemaal meemaakt, maar ook over wat normaal is.

Zelf kan ik veel vertellen over borderline. Het is een heel machtige, heftige, interessante diagnose en feitelijk heeft iedereen daar wel iets van in zich. Mijn boodschap is: cliënten, dat zijn gewoon mensen. Mensen met een hart en ziel en geest – en met een beetje verkreukelde, verbrokkelde levenssituatie. Heel bijzondere, lieve, innemende mensen. En vaak ook met zúlke mooie talenten. En als ik dan bij Reinier van Arkel sta voor een groep mensen die tot tranen toe bewogen is door mijn verhaal, dan denk ik: ik ben goed bezig.”

“Ik vind het ook niet meer erg om een gekleurde muis te zijn. Ik ben liever een excentriek, gekleurd persoon dan een introverte grijze muis. Ik vind het ook niet erg om in de publiciteit te komen; daarom werk ik ook graag aan dit interview mee. Wel wil ik bij voorlichting puur mijn eigen verhaal vertellen, zonder daarin getraind te worden in wat ik wel of niet moet zeggen. Het is belangrijk dat ik puur bij mezelf blijf, en ik bepaal zelf wel hoever ik ga. Bovendien heb ik al voor veel mensen moeten spreken; ik ben daar niet bang voor.” Carola heeft ook op eigen houtje allerlei studieboeken over psychiatrie en psychologie bestudeerd – al hecht ze er niet aan om een academische titel te halen. “Met alles wat ik beleefd heb, ben ik gewoon ervaringsdeskundige, klaar! Ik hoef echt geen ‘doctor’ voor mijn naam te hebben. Ik ben gewoon ik. Wel overweeg ik om een boek te gaan schrijven. Een deel van de opbrengst schenk ik dan aan de RIBW, omdat die me uit de ellende hebben getrokken.”

Bikkelharde maatschappij

Overigens voorziet Carola dat in de nabije toekomst nog veel meer mensen psychische problemen krijgen. “Het leven is bikkelhard op dit moment, vooral voor een jong opgroeiend mens. Het wordt zakelijker; overal ziet men euro’s achter, alles heeft een kostenplaatje. De zorgzame maatschappij van vadertje Drees is helemaal in mootjes gehakt. Veel mensen kunnen er niet tegen en komen in de problemen. Kijk, er hoeft maar íets te gebeuren en een mens is uit balans: een ongeluk, een sterfgeval, seksueel misbruik of ingrijpende dingen uit het verleden. Er kunnen zóveel dingen meespelen waardoor een psychiatrische diagnose naar boven komt, met alle gevolgen van dien.

Ik denk dat we met name veel moeten doen voor de jeugd. Kinderen hebben tegenwoordig een heel ingrijpend leven door alles wat ze meemaken en alle drukte eromheen. Alles draait om commercie, en ouders kunnen niet aan die eisen voldoen. Ook op school is alles veel harder geworden. Duizenden kinderen hebben met smart een kinderpsychiater nodig, omdat ze anders volledig ontsporen. Nederland schreeuwt moord en brand, want de GGZ hééft het al zo druk. Maar dit is nog maar het topje van de ijsberg; het wordt nog veel erger. Want de druk op de GGZ neemt de komende jaren extreem toe. Over een paar decennia is het niets bijzonders meer als je gebruik maakt van de GGZ, omdat een grote groep er dan direct of indirect mee te maken heeft. Belangrijk is dat deze mensen de juiste hulpbronnen weten te vinden, en dat hun behoeften goed in kaart worden gebracht.”

Verse sneeuw

Voor zichzelf ziet Carola de zaak zonniger in. “Het leven is nu mooi, het leven lacht me toe. Vroeger zag ik dat niet, omdat ik met van alles en nog wat bezig was. Ik kon nergens blij mee zijn en moest altijd geld hebben. Maar nu zie ik dat die boom weer in de knop staat en dat het zonnetje mooi schijnt. En als het sneeuwt, dan geníet ik gewoon. Als ik dan op een heldere avond tijdens een wandeling met mijn hondje de verse sneeuw onder mijn voeten hoor kraken, dan denk ik: ah, het leven is toch mooi! Verder tel ik mijn zegeningen: ik ben blij dat de zon schijnt, dat ik niet meer rood sta en zelfs nog een aardige cent kan sparen. En ik prijs me gelukkig dat ik een huisje heb met een dak boven mijn hoofd, dat ik een hondje heb, en dat het iets beter gaat met mijn familie. Toch komt het nog voor dat ik me niet gewenst voel en dat ik vertwijfeld denk: hemelse Heer, is dit nu echt zo? Maar dan kijkt mijn hondje me heel lief aan en zegt: mammie, ik hou van jou! En na een nachtje slapen voel ik me ‘s anderendaags weer een stuk beter.”

Be Sociable, Share!