Voetbaltoernooi op slotdag festival

Ook dit jaar is het voetbaltoernooi in Oisterwijk een van de attracties van het Kwartiermakersfestival. Het toernooi vindt plaats op vrijdag 7 oktober, wederom in sportpark ‘Den Donk’.

Slotfeest Hall of Fame

Vrijdag 7 oktober van 19.00 tot 1.00 uur: slotfeest in de Hall of Fame met een verrassend en gevarieerd programma. Ontspannen muziek, alsmede een DJ, VJ, theater en lekker eten…

 

“Zonder mijn vechtlust was ik er niet meer geweest”

De jeugd van Joke Taaij was niet altijd even makkelijk; ook had ze een ongelukkig eerste huwelijk. Door manisch-depressieve klachten viel ze in een diep gat. Maar na anderhalf jaar opname wist ze toch weer de knop om te zetten. Met steun van haar man, maar zeker ook door haar eigen innerlijke kracht. Daarvan verhaalt ze ook in haar levensverhaal, onder de toepasselijke titel ‘Door kracht gedreven’.

Joke werd geboren in een noordelijk dorpje, maar verhuisde zes maanden oud naar de Randstad. Ze woonde daar tot haar eenentwintigste en heeft leuke er herinneringen aan. Met haar eerste man ging ze in een naburige stad wonen. “Dat waren zware tijden. Hij mishandelde me geestelijk en lichamelijk. Eerst hoopte ik dat het nog goed kwam, maar dat was niet het geval. Na 2 ½ jaar zijn we gescheiden. Rond mijn vijfentwintigste trouwde ik met mijn tweede man. We verhuisden naar een stad in het zuiden en een paar jaar later naar een dorp daar in de buurt. Daar werkte ik vijf jaar als gezinsverzorgster, tot het mis ging met mij. Ik kon in mijn werk moeilijk een grens trekken en ging ook buiten werktijden nog vaak op pad. Maar eigenlijk ging het na mijn eerste huwelijk al mis.

Mijn hulpverleners zeiden: ‘je praat wel veel, maar je zegt niks’. Wat ik écht kwijt wilde, vertelde ik nooit. Kort na mijn laatste verhuizing ben ik enkele malen zwaar overspannen geweest. Een psychiater zei op een keer tegen mij: ‘je moet van je man af’; dan pas zou het beter gaan. Dat kwam hard aan. ‘s Avonds belde ik een vriendin om afscheid te nemen, want ik zag het niet meer zitten. De tabletten stonden al klaar. Mijn man kon me nog net op tijd weerhouden.

Kort daarna ging ik weer werken. Na een half jaar kreeg ik echter last van een peesontsteking in mijn rechterhand. Ik werd uitgebreid onderzocht, maar ze konden niets vinden en zeiden dat het psychisch was. Van een psychiater moest ik een tijdlang bijhouden hoe ik me voelde, en ik gaf aan dat ik me vaak rot en beroerd voelde. Hij vermoedde dat ik manisch-depressief was en schreef lithium voor. Daarmee nam mijn gewicht in zes weken tijd toe van 43 tot 63 kilo. Alleen mijn beste vrienden wisten van die diagnose, maar eigenlijk zat het er altijd al in. Als kind was ik vrolijk, maar ook druk. Deels is het ook erfelijk. Door ingrijpende gebeurtenissen kan dat tot uiting komen, vooral als je daar gevoelig voor bent.

Ik kreeg medicijnen, maar die werken alleen als je er ook wat mee doet. Ik was in die tijd echter ook helemaal niet positief meer ingesteld. Het ging steeds slechter met mij en vier maanden lag ik alleen maar thuis op bed. Ik was net een zombie. Ook praatte ik heel hard, ik schreeuwde en ratelde als een gek. Er was geen land met me te bezeilen. Mijn man zei: ‘het gaat zo niet langer’. Ik leefde eigenlijk niet meer en wilde alleen maar dood. Mijn psychiater regelde toen dat ik een week daarna al opgenomen kon worden.”

Wakker geschud

Joke zat eerst drie maanden op de psychiatrische afdeling van een algemeen ziekenhuis. Daarna ging ze 15 maanden naar de open afdeling van een psychiatrische kliniek. In de weekends mocht ze naar huis. Toch ging het nog steeds niet goed; Joke werd steeds suïcidaler. “Mijn man besprak zijn zorgen met de hulpverleners, maar die namen hem niet serieus. Ze zeiden: ‘als iemand praat over zelfmoord, dan doet hij het juist níet’. Maar dat is niet waar. Je zegt het onbewust, omdat je op dat moment eigenlijk niet meer weet wat je zegt. Met Pinksteren deed ik thuis een zelfmoordpoging met alcohol en medicijnen. Mijn man bracht me nog tijdig naar de kliniek, waar ze eindelijk beter naar me gingen luisteren. Drie maanden mocht ik niet naar huis en zocht mijn man me steeds op. Geleidelijk kwam ik erachter dat ik toch weer verder moest met mijn leven. Mijn psychiater zei echter dat ik nooit meer naar huis zou gaan. Na dat gesprek zei mijn man tegen me: ‘Zoiets laat je je toch niet zeggen? Waar is je vechtlust? Jij bent altijd toch zo’n doordouwer!’ Toen ben ik wakker geschud. Pas na zeven maanden erkende ik dat ik ziek was.

Tegen mijn man zei ik eerst nog dat ik niet naar huis wilde omdat dat voor hem te belastend was. Maar hij zei dat hij dat zelf wel uitmaakte. We hebben het langzaam opgebouwd, met eerst een lang weekend naar huis en geleidelijk steeds langer. Dat was voor ons beiden best eng. Vooral voor mijn man, die nog steeds bang was dat ik niet meer wilde leven. Die angst verdween maar heel langzaam.”

Opknapbeurt

“Na 15 maanden in de kliniek ging ik in augustus 1993 op mijn verjaardag weer naar huis. Mijn hulpverleners stonden er niet achter. Ze dachten dat ik snel weer terug zou zijn; ik moest maar bewijzen dat ik het aankon. Volgens hen moest ik in een beschermde woongroep leven en niet meer thuis. Als het niet goed ging, moest mijn man meteen de ambulance bellen. Dan zou ik meteen naar een gesloten afdeling gaan. Toen ik een half jaar thuis was, voelde ik me een tijdje erg depressief. Ik durfde dat echter niet te zeggen tegen mijn psycholoog, uit angst dat ik terug moest naar de kliniek. Maar ze zei dat ik nu wel bewezen had dat ik het aankon. Dat was een hele opluchting. Sindsdien ben ik nog twee keer korte tijd opgenomen. De eerste keer bleek ik het aan mijn schildklier te hebben door de lithium die ik slikte. Daardoor leek het of ik manisch depressief was. Na vijf weken was ik weer thuis. Achteraf noemde ik het een ‘opknapbeurt’. De andere keer was na een operatie, een paar jaar later.

Na mijn opname ging ik 9 ½ jaar naar de secundaire dagbehandeling, verbonden aan dezelfde kliniek. Daar voelde ik me best thuis. Helaas moet ik daar weg, omdat het alleen nog voor kortdurende behandeling wordt gebruikt. Zo’n verandering is best moeilijk. Ook mijn groep vond het jammer dat ik wegging. Daarom doen we elke maand samen nog iets leuks. Twee middagen in de week boetseer ik nu met klei op een dagactiviteitencentrum. Dat vind ik heel leuk. Het is er ook best knus, omdat het kleinschalig is. Overigens kan ik geen vrijwilligerswerk doen, omdat ik amper mijn huishouden kan doen. Maar ik zit niet stil.”

Touwtjes in handen

Langzaam nam Joke de touwtjes zelf weer in handen. Belangrijk was een boek van Louise Hay, dat ze kocht op advies van een arts in de kliniek. “Je moet eerst van jezelf leren houden; zo krijg je de kracht om dingen te veranderen. Als je alleen maar boos bent op je familie, gaat dat moeilijk. Door dit boek ging ik eindelijk dingen veranderen en verwerken. Ik werd rustiger en pluk daar nu de vruchten van. Als dingen niet goed gaan, probeer ik er zelf wat aan te doen. Zo volg ik nu een cursus voor mensen met manisch-depressieve klachten, met informatie over ziekteverloop en medicijnen.

Ook heb ik de cursus ‘Herstellen doe je zelf’ gevolgd. Eerst dacht ik: ‘wat moet ik ermee? Je kunt toch helemaal niet herstellen van manisch-depressiviteit?’ Toen legden ze uit dat je weliswaar niet helemaal beter kunt worden, maar wel kunt leren beter met je ziekte om te gaan. Achteraf ben ik blij dat ik die cursus gevolgd heb, al was hij best intensief. De drie maanden vlogen voorbij en het klikte goed tussen de cursisten. Eind november ben ik begonnen met de cursus ‘Werken met eigen ervaring’. Volgens een begeleider ben ik daar te goed voor, maar dat denk ik niet. Want jij kunt zelf dingen leren van anderen en een ander leert weer van jou. Dat is best leuk.”

Lievigheid

“Ondanks alles ben ik nu weer heel positief. Ik sta weer echt in het leven, mede dankzij mijn innerlijke kracht. Maar ik heb ook veel te danken aan mijn man; zonder zijn steun had ik het niet gered. Zo weet hij prima hoe hij me aan de gang moet krijgen als het moeilijk gaat. Toen ik uit het ziekenhuis kwam, had hij net de keukenkastjes uitgeruimd en liet hij mij het verder overnemen. Dat gaat hartstikke goed. Wel moet ik niet te veel zeuren als hij het druk heeft. Aanvankelijk was het voor mijn man wel zwaar. Hij moest steeds op zijn tenen lopen en kreeg van hulpverleners nauwelijks antwoord op zijn vragen. Ze vroegen wel steeds hoe het met mij ging, maar niet met mijn man. Nu wordt hij er gelukkig wél bij betrokken. Als ik op de secundaire dagbehandeling vraag of mijn man mee mag komen, zeggen ze: ja, graag zelfs! Destijds zei ik wel tegen hem dat hij maar van me weg moest gaan, omdat dat zo geen leven voor hem was. Maar hij zei dat ik ook in de moeilijkste periode gelukkig mijn lievigheid nog had. Zonder dat was het voor hem ook moeilijk geweest om de relatie voort te zetten. Het gaat nu nog steeds uitstekend tussen ons. Op 23 september waren we dertig jaar getrouwd.

Toen ik ruim twee jaar weer thuis was, besloot ik mijn levensverhaal op schrift te stellen met als titel ‘Door kracht gedreven’. Ik heb er vier jaar aan gewerkt. Alles wat ik vanaf mijn jeugd heb meegemaakt, schreef ik zo van me af. Alledaagse dingen uit mijn kindertijd, maar ook meer ingrijpende dingen. Wel ben ik discreet; ik noem nergens namen of plaatsen. In het begin verbaasde ik me over alles wat ik had meegemaakt. Soms kwamen de emoties los; dan huilde ik even en had ik het verwerkt. Je geeft je wel bloot met zo’n verhaal, maar anderen kunnen er hun voordeel mee doen. Je raakt er mensen mee. Ook gezonde mensen herkennen er dingen in. Als ik het nu teruglees, denk ik: ‘goh, best knap dat ik dat gedaan heb’.”

Erg gegroeid

“Wat ik schrijf over mijn ziektebeeld is alweer tien jaar oud. Sindsdien ben ik erg gegroeid. Ik sla me nu overal doorheen. Zoals drie jaar geleden, toen in een week tijd mijn moeder en mijn vriendin overleden. Hoewel het even niet goed ging met mij, kon ik wel thuis blijven. Verder heb ik door de ziekte van Minière last van duizeligheid en evenwichtsproblemen. Maar dan denk ik: dat hoort bij het ouder worden. Wel heb ik er de laatste tijd vaker last van, doordat op 25 juli mijn vader is overleden. Maar hij was al 94, dus ik heb er vrede mee.

Pas herlas ik wat Louise Hay schreef over van jezelf houden en dacht: ‘ik heb het best goed gedaan’. Ik ben blij dat ik nog leef, maar moet er nog wel iedere dag voor vechten. Het kan nog wel mis gaan, maar daar ga ik niet van uit. Ik ben nu alweer 14 jaar thuis. Af en toe heb ik nog een kleine terugval, maar ik ben nooit meer opgenomen geweest. Steeds wint de vechter in mij. Zonder die vechtlust had ik hier nu niet meer gezeten.”